Omschrijving (toelichting)
Op 4 juli 2024 heeft Gedeputeerde Staten Provinciale Staten laten weten het proces op te willen gaan starten gericht op bouw van nieuwe schepen voor de Westerschelde Ferry en dit te doen als project van de Provincie Zeeland. Daarbij is ten aanzien van de exploitatie gemeld: “Vooralsnog gaan wij daarbij uit van het handhaven van de status van Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB), zoals eerder door uw Staten besloten. Deze diensten bevinden zich op het grensvlak tussen publieke belangen op nationaal en decentraal niveau en de regels van de interne markt. Voorbeelden van DAEB’s zijn onrendabele openbaarvervoersdiensten, sociale verzekeringsdiensten en publieke omroepdiensten. Decentrale overheden mogen deze diensten beleggen bij een onderneming, als de markt de diensten onvoldoende oppakt of deze niet tegen maatschappelijk aanvaardbare voorwaarden verricht. Op grond van de categorisering als DAEB wordt de exploitatie ondergebracht bij de Westerschelde Ferry BV. “
Op 15 november 2024 heeft Provinciale Staten het statenvoorstel startnotitie Vervanging schepen Westerschelde Ferry vastgesteld en dit als groot project benoemd. Dit betekent dat in verschillende fasen toegewerkt zal worden naar een voorstel over vervanging van de huidige schepen met bijbehorende aanlandvoorzieningen en laadinfrastructuur. Een investeringsbesluit daarover dient te worden genomen aan het einde van de voorbereidingsfase. Tot midden 2026 loopt voorafgaand aan de ontwerpfase nog de definitiefase, waarin het project eerst nader wordt gekaderd.
De Provincie Zeeland heeft als 100% aandeelhouder een financieel risico dat zij in haar rol als aandeelhouder aanvullende middelen aan de Westerschelde Ferry BV ter beschikking dient te stellen (agiostorting) in het geval het Eigen Vermogen van de Westerschelde Ferry BV onvoldoende zou zijn om mogelijke negatieve financiële resultaten veroorzaakt door o.a. tegenvallende aantallen passagiers, onverwachte hoge onderhoudskosten, stijgende brandstofkosten en een stijging van de energieprijzen, op te kunnen vangen.
Een risico dat druk zet op de planning voor het vervangen van de vloot is het voldoen aan de nu bekende Europese Standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor schepen (ES-TRIN). Om bij de aankomende herkeuring begin 2029 weer aan deze standaard te kunnen blijven voldoen (als er nog geen nieuwe schepen zijn), zijn geraamde investeringen noodzakelijk van 350.000 –800.000 euro per schip.
Een bijkomend risico wat nu al gelopen wordt is vroegtijdige vervanging voor 2029 door onherstelbare schade van een van de motoren. Omdat vanuit de ES-TRIN het wisselen van een bestaande motor niet meer is toegestaan, zijn er geraamde investeringen van 1,45 -3,0 miljoen euro per schip voor nieuwe motoren nodig en zal ook de bovengenoemde herkeuring vervroegd moeten worden uitgevoerd met bijbehorende investering.
Om het risico en de daaruit volgende tijdsdruk te mitigeren zijn de volgende mitigaties mogelijk:
- Plan A: Alles in het werk stellen om de planning te halen. Dit mitigeert alleen het risico van de herkeuring 2029.
- Plan B: IL&T -> dispensatie geldende wet- en regelgeving. Dit mitigeert beide benoemde risico's.
- Plan C: Tijdelijke inzet van andere schepen. Dit mitigeert beide benoemde risico's.
- (Plan) D: Vervangen van de motoren in de bestaande schepen door dieselmotoren die minder milieubelastend zijn.
Dit risico is ook opgenomen in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing.